Skip links

Bezoldigingstheorie: documenteren is de boodschap

Laten we starten met een poging tot ‘terminologische’ verduidelijking. Een bedrijfsleiderbezoldiging omvat naast een klassieke maandelijkse vergoeding in geld, de “voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid”. Dergelijke bezoldigingen worden voor de toepassing van de artikelen inzake de aftrek van beroepskosten gelijkgesteld aan werknemersbezoldigingen. Deze laatste bezoldigingen worden door de wetgever expliciet benoemd als aftrekbare beroepskosten (artikel 52, 3° WIB 92). Ipso facto zouden bedrijfsleidersbezoldigingen, in het bijzonder de toegekende voordelen alle aard, ook tot de aftrekbare beroepskosten moeten behoren.

Een plus een is twee, zou men denken… Het Hof van Cassatie is evenwel een andere mening toegedaan. De expliciete verwijzing in artikel 52, 3° WIB 92 is slechts een indicatie dat de kosten mogen worden afgetrokken. Voor een daadwerkelijke aftrek is het vereist dat de gedane kosten voldoen aan de voorwaarden opgenomen in artikel 49 WIB 92. Een van deze voorwaarden betreft het feit dat de kosten “gedaan of gedragen” moeten zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Het Hof van Cassatie leidt hieruit af dat kosten van toegekende voordelen van alle aard slechts aftrekbaar zijn wanneer die kosten “aan werkelijke prestaties beantwoorden”.

De rechtsleer heeft deze discussie omgedoopt tot de “bezoldigingstheorie”. De kosten die een vennootschap maakt om voordelen van alle aard aan haar bedrijfsleiders te kunnen toekennen, mogen worden aangemerkt als aftrekbare bezoldigingen, indien het bewijs kan worden geleverd dat deze voordelen van alle aard een tegenprestatie vormen voor het werk dat door de bedrijfsleiders is uitgevoerd. Het Hof van Cassatie heeft deze vereiste niet verder ingevuld, waardoor we een onderscheid merken in de (over het algemeen strenge) rechtspraak.

 

Gent

Het hof van beroep te Gent is een eerder stringente aanpak genegen. We nemen als voorbeeld een recent arrest van 8 januari 2019. Een klassiek voorbeeld waarbij een patrimoniumvennootschap een onroerend goed als gezinswoonst en een onroerend goed als appartement toekent aan haar bedrijfsleider. De voorliggende discussie voor het hof van beroep te Gent was beperkt tot een kostenaftrek voor het onderhoud van de tuin en de herstelling van de poort van de gezinswoonst. Vrij rudimentair bepaalt het hof van beroep te Gent dat de belastingplichtige niet kan aantonen dat deze ‘voordelen’ gerechtvaardigd zijn omwille van werkelijk geleverde prestaties door de bedrijfsleider. Het louter feit dat deze laatste belast wordt op een voordeel van alle aard blijkt irrelevant te zijn.

 

Antwerpen

De stringente visie van het hof van beroep te Gent lijkt ons een kopie te zijn van gelijkgestemde rechtspraak van het hof van beroep te Antwerpen. In een eerste geval had een vennootschap het vruchtgebruik van een woning verworven en twee derden van de bewuste woning ter beschikking gesteld als woonst aan haar bedrijfsleider. De verschuldigde vergoeding werd vastgelegd op basis van het forfaitair voordeel van alle aard voor gratis woonst. De vennootschap trekt vervolgens alle kosten af, inclusief de gemaakte kosten voor het toegekende privégedeelte. De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen was de vennootschap genegen en besloot in een vonnis van 27 januari 2017 dat het toegekende voordeel voortvloeide uit de werkelijke prestaties van de bedrijfsleider. Het hof van beroep te Antwerpen is evenwel een andere visie toegedaan en vindt dat er geen sprake kan zijn van werkelijk geleverde prestaties (Antwerpen 27 november 2018).

Een meer recent voorbeeld van de rechtspraak van het hof van beroep te Antwerpen betreft een arrest van 26 maart 2019. In deze casus koopt een vennootschap een onroerend goed in Knokke, waarna deze voor 100 procent er beschikking wordt gesteld van de bedrijfsleider. De vennootschap wil opnieuw alle kosten als beroepskosten in aftrek brengen. De fiscale administratie weigert traditiegetrouw de fiscale aftrek. Het hof van beroep te Antwerpen erkent dat de bedrijfsleider wordt belast op het voordeel van alle aard voor gratis woonst. De aftrekvoorwaarden van artikel 49 WIB 92 vereisen evenwel dat het genoten voordeel de tegenprestatie vormt voor door de bedrijfsleider werkelijk geleverde prestaties. Een algemene verwijzing hiernaar kan niet volstaan. Meer zelfs, het hof van beroep te Antwerpen is in deze zaak tevergeefs op zoek gegaan naar “een economische oorzaak of nood voor het betalen van dergelijke bezoldiging in natura”. Daarnaast ontbreekt het bewijs dat de gratis terbeschikkingstelling van deze woning aan de bedrijfsleider deel uitmaakt van “een bezoldigingspolitiek” van de vennootschap. Bijgevolg kan het hof van beroep naar eigen zeggen niet anders dan het weigeren van de kostenaftrek door de vennootschap, aangezien het gratis gebruik van het onroerend goed “neerkomt op het toekennen van een liberaliteit ten gunste van haar bedrijfsleider”.

Het hof van beroep speurt in haar rechtspraak bijgevolg naar zeer concreet bewijs dat de verleende voordelen werkelijke prestaties van de bedrijfsleider belonen. Slaagt de vennootschap er niet in om dit bewijs te leveren, dan zal deze laatste de kosten niet kunnen aftrekken. In de voorgelegde gevallen voor het hof van beroep blijkt dat bewijs onvoldoende met concrete elementen te kunnen worden onderbouwd.

 

Bergen

Aan Franstalige kant blijkt het hof van beroep te Bergen een meer open houding te hebben. In een eerste arrest van 29 mei 2019 ontving een vennootschap van twee van haar bestuurders een recht van opstal op een onroerend goed. Nadat de woning opgericht was, werd deze ter beschikking gesteld aan dezelfde bestuurders. Tegelijkertijd werd een managementovereenkomst afgesloten tussen de vennootschap en een van de twee bestuurders. Naast een jaarlijkse vaste vergoeding werd in ruil voor zijn prestaties de bewuste woning ter beschikking gesteld. Het hof van beroep te Bergen oordeelde, enigszins verrassend, dat deze managementovereenkomst volstond om te besluiten dat het toegekende voordeel van alle aard inzake de gratis woonst volgde uit werkelijk geleverde prestaties. Bijgevolg had de vennootschap in casu aangetoond dat de kosten zijn gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen en werd de aftrek hiervan toegestaan.

In een tweede arrest van 13 augustus 2019 had een getrouwd koppel ieder voor de helft een onroerend goed gekocht waarvan zij een vierde verhuurden aan hun vennootschap. De vennootschap nam de kosten van verwarming en elektriciteit, en de overige kosten, met betrekking tot het volledig onroerend goed ten laste.  Het echtpaar diende hiervoor een vergoeding te betalen, gelijk aan het forfaitair geraamde voordeel van alle aard voor de gratis terbeschikkingstelling van verwarming en elektriciteit. De vennootschap brengt alle gemaakte kosten als beroepskosten in aftrek. De fiscale administratie weigert de aftrek van de kosten voor het gedeelte van het onroerend goed dat niet aan de vennootschap werd verhuurd. Zich abstractie makend van de rechtspraak van de hoven van beroep te Gent en Antwerpen aanvaardt het hof van beroep te Bergen dat de toegekende voordelen van alle aard volgen uit werkelijk geleverde prestaties door de bedrijfsleider. Interessante overwegingen van het hof van beroep te Bergen om mee te nemen, zijn:

  • Een vennootschap is volledig vrij om te bepalen op welke wijze ze haar bedrijfsleider wenst te vergoeding. De fiscale administratie heeft namelijk geen opportuniteitsoordeel en kan niet eisen dat een vergoeding in ‘geld’ wordt toegekend;
  • Het feit dat een vergoeding in natura fiscaal voordeliger wordt behandeld door de wetgever, kan hieraan geen afbreuk doen;
  • Het feit dat de vennootschap het geheel van de kosten van elektriciteit en verwarming ten laste neemt, moet worden beschouwd als een “loonvoordeel”. De vennootschap motiveert namelijk haar zaakvoerder om meer beschikbaar te zijn voor de onderneming, wat in ieder geval het “vennootschapsbelang” dient.

 

Documenteren is de boodschap

Bovenstaande rechtspraak maakt een zaak helder, namelijk dat ieder geval afzonderlijk bekeken moet worden. Het bewijs van “geleverde prestaties” vormt onvermijdelijk een feitenkwestie. Een degelijke en weloverwogen bezoldigingspolitiek, voorafgaand opgesteld en goedgekeurd door de algemene vergadering, aan de hand van juridisch sterk onderbouwde documenten, zoals een managementovereenkomst, is onontbeerlijk om de feitelijke appreciatiemarge van de rechtbanken en hoven positief te laten uitdraaien. De adviseurs van Taxius staan u hier graag in bij.

 

Wenst u verdere verduidelijking van deze problematiek of een juridische ondersteuning bij de opmaak van de documentatie inzake het toegekende voordeel van alle aard voor gratis woonst, aarzel dan niet om ons verder te contacteren.

 

Leave a comment

Name*

Website

Comment