Skip links

Antigoon in het fiscaal recht: processie van Echternach

De arresten van het Hof van Cassatie doen traditioneel de gemoederen hoog oplaaien binnen de fiscale wereld. Het Cassatie-arrest van 22 mei 2015, waarbij het Antigoon-spook werd geïntroduceerd binnen het fiscaal recht, is daar een treffend voorbeeld van.

Na een jarenlange traditie van een automatische uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, werd een nieuwe weg ingeslagen door het Hof van Cassatie. Indien de fiscale administratie op onrechtmatige wijze in het bezit is gekomen van informatie, blijft deze informatie bruikbaar voor het vestigen van een aanslag, tenzij in drie vaag omschreven gevallen. Ten eerste indien de begane onrechtmatigheid op straffe van nietigheid staat voorgeschreven. Dergelijke bepalingen zijn zeldzaam in de fiscale wetboeken, in het bijzonder gelet op de klassieke rechtspraak inzake automatische uitsluiting. Het meest aangehaalde voorbeeld betreft de notificatieverplichting van de fiscale administratie ten aanzien van de belastingplichtige om de zevenjarige onderzoekstermijn te kunnen toepassen in het geval van aanwijzingen van belastingontduiking. Ten tweede, wanneer het gedrag van de fiscale administratie “zozeer indruist” tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het bewijs in alle gevallen zou moeten worden uitgesloten. Ten derde, indien het recht op een eerlijk proces van de belastingplichtige in het gedrang komt. Deze twee laatste uitsluitingsgronden vereisen een belangenafweging door de rechter, waarbij deze rekening kan houden met onder andere het zuiver formeel karakter van de overtreding, het al dan niet opzettelijk karakter van de begane onrechtmatigheid, en zo verder…

WebMindLicenses

Een half jaar later velt het Europees Hof van Justitie een arrest dat voor sommigen als een totale verrassing komt (HvJ 17 december 2015, zaak nr. C-419/14). Het Hof lijkt in deze zaak aan te geven dat indien er een inbreuk wordt gepleegd op de fundamentele rechten van de mens zoals opgenomen in het Europees Handvest, het verkregen bewijsmateriaal automatisch moet worden uitgesloten. Met andere woorden, wanneer de fiscale administratie het recht op eerbiediging van het privéleven schendt, de rechter geen belangenafweging kan doen. De fiscale Antigoon-leer lijkt hiermee, minstens gedeeltelijk, overruled te zijn geweest door het Hof van Justitie.

Het Europees Hof deed hier evenwel een uitspraak inzake BTW, waardoor in België de vraag is gerezen of dit ook kan worden toegepast op het gebied van de inkomstenbelastingen.

Prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie

Bovenstaande vraag heeft uiteindelijk ook de raadsheren van het Hof van Cassatie bereikt. In de zaak die voor het Hof besproken werd, pretendeerde de belastingplichtige slachtoffer te zijn van discriminatie. Op basis van de Antigoon-leer wordt bewijsmateriaal verkregen via een schending van een grondrecht in bepaalde gevallen aanvaard, gelet op de belangenafweging door de rechter, terwijl dergelijk bewijsmateriaal op het gebied van BTW automatisch zou moeten worden geweerd, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie.

Het Hof van Cassatie besloot de hete aardappel te verschuiven naar het Hof van Justitie. Op 28 juni 2018 werd het Europees Hof, bij wijze van prejudiciële vraag, verzocht te bevestigen, of een bewijs dat verkregen is met schending van het recht op eerbiediging van het privéleven, op het gebied van BTW ‘in alle omstandigheden’ geweerd moet worden, dan wel het Europees recht bij een dergelijke schending toch nog een belangenafweging toestaat zoals die in de Antigoon-leer wordt toegepast.

Terug naar af…

Advocaat-Generaal Kokott verklaarde in haar advies van 11 juli 2019 dat het Hof van Justitie zich onbevoegd zou moet verklaren, aangezien inkomstenbelastingen niet tot het recht van de Europese Unie behoort. Het Europees Hof sluit zich in een arrest van 24 oktober 2019, in enigszins andere bewoordingen, hierbij aan en verklaart de prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie onontvankelijk.

De zaak is nu aldus terug bij af. Het Hof van Cassatie zal zelf moeten besluiten of de voorgelegde situatie discriminatie zou uitmaken. Interessant is evenwel dat AG Kokott in het tweede deel van haar advies het arrest WML op een andere manier interpreteert. Volgens haar kan er niet (met zekerheid) uit dit arrest worden afgeleid dat er inzake BTW sprake is van een automatische uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal indien er een schending is gebeurd van de fundamentele rechten van de belastingplichtige. Het Hof van Cassatie zou zich er bijgevolg ‘gemakkelijk’ van kunnen afmaken door zich aan te sluiten bij de visie van Kokott, waardoor er geen sprake kan zijn van discriminatie. Er is dan namelijk niet langer een wezenlijk verschil tussen de bewijsuitsluiting inzake BTW en de bewijsuitsluiting inzake inkomstenbelastingen.

Bij Taxius volgen we deze processie van Echternach voor jullie op de voet. Het arrest van het Hof van Cassatie zal een belangrijk element vormen in de huidige confrontaties tussen de belastingplichtige en de fiscale administratie. Naast de vraag in welke gevallen een fiscale onderzoekshandeling nog wel onrechtmatig wordt (kan worden) verklaard (zie ons ander artikel inzake het ‘actief’ zoekrecht van de fiscus), is een eventuele uitsluiting van daaruit verkregen bewijsmateriaal een cruciale vraag.

Wenst u verdere verduidelijking van deze rechtspraak of een procedurele analyse van bepaalde dossiers, aarzel dan niet om ons verder te contacteren.

Leave a comment

Name*

Website

Comment